Religie en gebruiken
Door Udo Pollmer

Rauhnacht© Grubärin / www.fotolia.de

In de zogenaamde Rauh-nachten. De twaalf nachten tussen 25 december en 6 januari worden tot op heden in enkele regio’s van Duitsland de geesten uitgedreven en offers gebracht. Udo Pollmer meent dat deze offerandes vooral ten goede kwamen aan de religieuze elite.

Wanneer na de zonnewende de dagen weer langer worden, beginnen de zogenaamde Rauh-nachten. De laatste is vandaag op 6 januari. Daarmee eindigt de spooktijd tussen de jaren. Vaak heten de Rauh-nachten ook wel Rauch-nachten, omdat men – voordat het nieuwe jaar begon – de boze geesten uit het huis en de stal rookte. Het huilen van de winterstormen werd als teken van demonische...

...krachten gehouden. Men was ervan overtuigd dat de verloren zielen door de lucht joegen, aangevoerd door de demon vrouw Perchta, ook wel vrouw Precht genoemd.


Zwepen als gezondheidsbevorderende maatregel

De Perchta-optochten in het zuiden van Duitsland, waarbij jonge kerels met woest uitziende heksenmaskers door de dorpen trekken, herinneren op folkloristische wijze aan de eens zo gevreesde schaar geesten. In de volksmond hielp daar vooral kabaal tegen, geluidsoverlast zouden de boze geesten helemaal niet kunnen lijden. Het knalvuurwerk tijdens de jaarwisseling herinnert nog aan dit idee. Bij gebrek aan knallers werd vroeger het vee tegen de heksen, en daarmee tegen ziektes, met knallende zwepen beschermd. In zijn algemeenheid rekende men vroeger de zwepen tot de gezondheid bevorderende maatregelen. Zweepslagen waren even trendy als nu diëten. Bij de dames zou het de vruchtbaarheid verhogen.

Om het niet bij de kwade vrouw Perchta te verbruien, probeerden mensen de demonische horde met eten tot bedaren te brengen. Praktischer wijze kwamen de spijzen op veel plaatsen direct op het dak, opdat het vliegende gezelschap gemakkelijk het eten kon pakken. Meestal werd hen gort en vis aangeboden, soms ook noedels, koekjes en bier. Helaas ontbreken de berichten, wat er met de spijzen gebeurde, die de wilde bende lieten staan. Uiteindelijk zou er wel eens iets daarvan in de magen van de edele donoren beland zijn.


Kinderen als offer voor een goede oogst

Een offer brengen klinkt naar zelfoverwinning en sterking van het geloof. Vele religies verlangen van hun gelovigen voedsel en drank als offer. Natuurlijk komt voor de geesten en goden alleen het beste en edelste op het offeraltaar. Daar werden en worden nog altijd stieren, schapen en geiten ritueel geslacht, een symbolisch deel – een paar voorhoofdsharen van de stieren – op gloeiende kolen gelegd en verbrand. Wanneer de rook in de hemel stijgt, daar waar de goden in de wolken huizen – stemde het hen vriendelijk.

Wat tegenwoordig bij veel mensen vreemd in de oren zal klinken, betekende een enorme humanitaire stap voorwaarts: want vroeger werden mensen geofferd, vooral kinderen, om goede oogsten af te smeken, opdat de rest van de familie verzadigd kon worden. In het Oude Testament bevind zich nog een duidelijke verwijzing daar naar: Abraham, die zijn eerstgeboren zoon Isaak naar het altaar voert. Op een goede dag - vermoedelijk toen de gelovigen meer vee als kinderen hun eigendom mochten noemen – was het voldoende, om hun god in plaats daarvan een lammetje of een geitenbok te offeren.


De beste vissen voor de ouderlingen

Maar wat gebeurde er met het vlees van de geofferde lammeren, dat niet in rook was opgegaan? Dat plachten de priesters als vervulling van hun plicht te nuttigen. Hun macht hebben ze in hogere culturen gewoonlijk te danken aan de kennis van de astronomie, dus het vermogen de wil uit de hemel te kunnen verklaren. Voor het gewone volk was het onheilspellend, wanneer de zonsverduistering werd aangekondigd en dan ook intrad. Dan werkte de maning, om de toorn van de goden te sussen, daar vlijtig offers naar toe te brengen.

Oorspronkelijk volstond, i.p.v. de astronomie, de pure angst. Frank Hurley, een Australische ontdekkingsreiziger, berichtte omstreeks 1920 vanuit Nieuw-Guinea over de Namau: Deze werden met verschrikkelijke beeltenissen en vlechtwerken van een gevreesde krokodil, Kopiravi genaamd, in de greep gehouden. De Kopiravi stonden in het allerheiligste, een duistere hut vol vleermuizen. Wie niet spoorde, die werd door de hoeder van deze beeltenissen bedreigt met onheil, ziekte en dood. “Daarmee hielden”, zo verzekerde Hurley, “de oude mannen van de stam, de jongere mannen, vrouwen en kinderen onderworpen. Op deze wijze roomden de ouderen de melk af; ze kregen de beste vissen, vleesgerechten en kokosnoten, die voor de Kopiravi als offergaven waren neergelegd.”

Hoeveel religies zouden wel niet op deze wijze ontstaan zijn? Eet smakelijk

 

Literatuur:

Hoffmann-Krayer E et al (Hrsg): Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens. De Gruyter, Berlin 1987

Rumpf M: Spinnstubenfrauen, Kinderschreckgestalten und Frau Perchta. Fabula - Zeitschrift für Erzählforschung 1976; 17: 215-242

Schmidt L: das Frisch- und Gesund-Schlagen im Burgenland. Wissenschaftliche Arbeiten aus dem Burgenland 1966; 35: 522—564

Mannhardt W: Wald- und Feldkulte. Gebrüder Borntraeger, Berlin 1904

Smith JB: Perchta the belly‐slitter and her kin: a view of some traditional threatening figures, threats and punishments. Folklore 2004; 115: 167-186

Hoffmann-Krayer E: Fruchtbarkeitsriten im schweizerischen Volksbrauch. Schweizerisches Archiv für Volkskunde 1907; 11: 238-269

Hurley F: Perlen und Wilde. Brockhaus, Leipzig 1926

Haddon AC: The kopiravi cult of the Namau, Papua. Man 1919; 19: 177-179

Watts J et al: Ritual human sacrifice promoted and sustained the evolution of stratified societies. Nature 2016; 532: 228-231

Schoch A: Rituelle Menschentötungen in Polynesien. Leufke, Ulm 1954

Schwenn F: Die Menschenopfer bei den Griechen und Römern. In: Dieterich A, Wünsch R (Eds): Religionsgeschichtliche Versuche und Vorarbeiten. 15. Band, 3. Heft, Töpelmann, Gießen 1915

Hogg G: Cannibalism and Human Sacrifice. Hale, London 1958

Eissfeldt O: Molk als Opferbegriff im Punischen und Hebräischen und das Ende des Gottes Moloch. Niemeyer, Halle 1935

Waitz T: Anthropologie der Naturvölker. Fleischer, Leipzig 1859-1872