Uitsterven van soorten

Door Udo Pollmer

Naturschutzgebiet

Het is een aflopende zaak met de aarde. Soorten sterven overal uit. Maar klopt dat? En wie is schuldig, wanneer dieren uitsterven? De industrie, een schimmelziekte of uiteindelijk de natuurbescherming zelf? Vast staat, aldus Udo Pollmer, dat de situatie complex is.

Onze insecten sterven, de meesten zijn kennelijk al dood. Naar men zegt is 80 % van de bestanden “in delen van het land” spoorloos verdwenen. De politiek steunt daarbij op de gegevens van een insectenclub uit Krefeld. De leden, die zichzelf ‘activisten’ noemen, tellen al tientallen jaren in een beschermd natuurgebied al het kleinvee, dat in hun vallen vliegt. Schuld aan de alarmerende resultaten zou de intensieve landbouw zijn – en dat in een beschermd natuurgebied met bossen, moeras en vochtige graslanden.

Nu word een globaal insectensterven voorspeld. Tot op heden weet niemand, hoeveel insecten er überhaupt zijn. Kennelijk zijn nog 4 van de 5 soorten onontdekt. Echter over het spoedige uitsterven...

...door het verbouwen van ons voedsel bestaat geen twijfel. Leve de eenvoud!

De studie uit Krefeld zou de enige in zijn soort zijn, heet het. Mis: In Engeland telt men al sinds 50 jaar insecten. In het Engelse Rothamsted worden de insecten al meer dan 50 jaar op vier meetpunten geteld. Op een plaats daalden de populaties in tien jaar tijd, op de drie andere bleven ze gelijk. Dat citeert men niet graag. Nu bestaan er – wij horen het nu pas – jaren met muggen, andere met wespenplagen en weer andere, waarin de koolvlieg het koolzaad kaal vreet. De invloedsfactoren op de dynamiek van de populaties in de insectenwereld zijn legio. Dan helpt maar een ding: simplificeren. Zoals bekend is er voor ieder complex probleem een antwoord: Dat is eenvoudig, logisch en –fout.

Wanneer de insecten minder worden, is dat natuurlijk het gevolg van onze landbouw, worden het er meer is de klimaatsverandering schuld. Al jaren klagen de experts erover, dat steeds meer nieuwe soorten zich uitbreiden, binnen gehaalde muggen, exotische plantenplagen, spinnen, sprinkhanen en velen meer. Zoals bekend verdringen deze vroeger of later ook inheemse soorten. In de steden worden straatlantaarn met kwikzilverdamp-lampen uitgerust. Deze energiespaarlampen worden legers van nacht-actieve insecten noodlottig, die door het speciale lichtspectrum magisch aangetrokken worden. Zwijgen is goud.


Boeren, algen of schimmels

Herinnert u zich het amfibie-sterven, dat enkele jaren geleden nog in de media door klagende hysterici betreurt werd? Ook toen werden de boeren aan de schandpaal genageld – zelfs in regio’s waarin er totaal geen landbouw bedreven werd. Pesticiden worden echter globaal verwaaid. Na jarenlang zoeken stieten de analytici op retinoïde, op vitamine A dus. Als bron werd gier vermoed, die, naar men zei, ook in afgelegen gebieden illegaal uitgereden zou zijn. Toen bleek, dat de hoog-giftige vitamine A -verbindingen door algen geproduceerd werden, verdween de interesse. Toen ook nog een agressieve schimmelziekte genaamd chytridiomykose als verdere doodsoorzaak bewezen kon worden, waren de activisten gevlogen.

Momenteel neemt het aantal bodembroeders af, kennelijk omdat de landbouwkundige bodembewerking hun leefruimte schaadt. Echter vele akkers worden steeds minder bewerkt. Het verdwijnen heeft dus een andere grond. Wasberen en wasbeerhonden zijn nieuw in het ecosysteem en plunderen nesten. Uit de groene gordels van de steden hebben de bodembroeders zich al langer teruggetrokken vanwege de vele katten.


Dankzij oppervlaktewater bescherming nauwelijks nog vis

Wanneer de insecten sterven, dan sterven, zoals men zegt, ook de vogels. Klopt. Aangetoond werd dit bij onze oppervlaktewateren. En wel aan de hand van het verdwijnen van de vis – maar niet, omdat ze stikken in de gier, maar omdat het water te zuiver is. De ringkanalisatie verhindert elke toevoer aan voedingsstoffen. Vele vissers moesten de laatste jaren hun beroep aan de wilgen hangen: Dankzij waterbescherming is er nauwelijks nog vis.

Het tekort aan nitraat en fosfaat ontneemt achtereenvolgens ook voor plankton de bestaansvoorwaarden. Dat staat echter aan het begin van de voedselketen. Vinden levende wezens zoals muggenlarven niet langer voedsel, dan verhongeren ook vissen en vogels. Dat is, aldus professor Werner Reichholf, de reden voor het verdwijnen van de gierzwaluw en kleine karekiet bij onze meren. Zo ruïneert de natuurbescherming de natuur. Eet smakelijk!

 

Literatuur:

Anon: Schleichende Katastrophe: Bis zu 80 Prozent weniger Insekten in Deutschland. FAZ-Online 15. Juli 2017

Vogel G: Where have all the insects gone? Sciene 2017; 356: 576-579

Reichholf JH: Die Zukunft der Arten: neue ökologische Überraschungen. Dtv, München 2011

Sorg M et al: Ermittlung der Biomassen flugaktiver Insekten im Naturschutzgebiet Orbroicher Bruch mit Malaise Fallen in den Jahren 1989 und 2013. Mitteilungen aus dem Entomologischen Verein Krefeld 2013; 1: 1-5

Harrington R: The Rothamsted insect survey strikes gold. Antenna 2014; 38: 159-166

Kunz W: Insektensterben in einem Land, in dem 4% der Fläche Naturschutzgebiet sind. Vortrag bei der Stiftung Naturschutz Schleswig-Holstein am 12. Juni 2017

Posch T et al: Das Ende der Nacht. Die globale Lichtverschmutzung und ihre Folgen. Wiley-VCH, Weinheim 2010

Neukirchen D: Bissige Biester in Deutschland auf dem Vormarsch. Laborpraxid 11. Mai 2011

Feusi A: Aggressive Invasoren aus dem Osten. NZZ-Online 25. Juli 2017

Zhou X et al: Detecting chaotic dynamics of insect populations from lon-term survey data. Ecological Entomology 1997; 22: 231-241

Dirzo R et al: Defaunation in the Anthropocene. Science 2014; 345: 401-406

Olson DH et al: Mapping the global emergence of Batrachochytrium dendrobatidis, the amphibian Chytrid fungus. PLoS ONE 2013; 8: e56802

Alsop DG et al: Dietary retinoic acid induces hindlimb and eye deformities in Xenopus laevis. Environmental Science & Technology 2004; 38: 6290-6299

Smutna M et al: Retinoid-like compounds produced by phytoplankton affect embryonic development of Xenopus laevis. Ecotoxicology & Environmental Safety 2017; 138: 32-38