door Jutta Muth en Udo Pollmer (vertaling uit de EU.L.E.n-Spiegel 1/2003)

VollkornbrotFoto: w.r.wagner / pixelio.de

Een beetje zink zit overal in. De verontreiniging van het milieu kan echter sterk variëren en de mens draagt hier vooral aan bij door zijn zinkindustrie.17 Een extra belasting is het bemesten met mest en drijfmest, omdat zink vaak als toevoegmiddel voor diervoeding aan de veestapel wordt gebruikt. Aangezien er zich nu een ongewenste ophoping op het veld heeft voorgedaan, is de Europese Unie van plan, de maximaaltoegestane gehaltes te verlagen van 250 tot 100-120 milligram per kilogram voer16. Verdere lozingen in het milieu vinden voornamelijk plaats in de vorm van zinkhoudende gewasbeschermingsmiddelen en zuiveringsslib. Vooral de...

...grond en planten langs de stratenrand zijn vaak zwaar belast. Het metaal is afkomstig van de rubberslijtage van vrachtwagenbanden.15


Struikelblok voor volkoren fans

In het menselijk lichaam vervult zink als bestanddeel van meer dan 300 enzymen belangrijke biologische functies. Het organisme werkt daarom met een complexe zinkhomeostase en reguleert het zodanig, dat alle cellen gelijkmatig van het sporenelement voorzien worden.8 Zo varieert het actief de absorptie uit de voeding en de uitscheiding via de alvleesklier, galblaas en nieren. De zinkhuishouding blijft zodoende in balans, ook al schommelt de aanvoer sterk (zie EU.L.E.n-Spiegel 2001/H.2/blz.18 en verder). Hoewel zwangere vrouwen en stillende moeders vaak een hogere dosis word aanbevolen, tonen resultaten uit dierstudies, dat het lichaam zijn behoefte – en dus ook de hogere – zelf dekt door middel van aanpasssing van de absorptie en uitscheiding.18 Normaal gesproken is het dus zelfs in tijden van nood goed bewapend. 

Toch zijn er mensen die lijden aan een zinktekort. Dit kan onder andere in verband worden gebracht met bepaalde eetgewoonten. Want niet alleen de bereidheid van het lichaam om zink te absorberen, maar ook de beschikbaarheid van zink in de voeding, speelt een rol. In de leerboeken staat dat de mens, zijn dagelijkse zinkbehoefte kan dekken ofwel met een portie varkensvlees van 100 gram of met 600 gram volkoren graan. Deze visie op de beschikbaarheid van zink is echter niet juist. Door fermentatie ontsloten granen, zoals zuurdesem, kunnen doorgaans een goede biobeschikbaarheid vertonen, omdat het daarin zittende fytine grotendeels is afgebroken.

Bij regelmatige consumptie van niet-ontsloten producten daarentegen is de verzorging niet alleen maar „gewoon slecht" - de consumptie ervan kan ook nog eens zink uit het lichaam onttrekken. Fytine bindt namelijk niet alleen het sporenelement in levensmiddelen, maar ook het lichaamseigen zink, dat via de alvleesklier wordt uitgescheiden en normaal gesproken weer terug geabsorbeerd word.10 Dit kan leiden tot aanzienlijke zinkverliezen. Als gevolg van een fytinerijke vegetarische voeding werden typische zinktekort symptomen waargenomen bij Egyptische, Iraanse en Turkse adolescenten: dwerggroei en hypogonadisme, d.w.z. onderontwikkeling van de geslachtsklieren en organen.11

Omdat ons voedsel tenminste rekenkundig voldoende zink bevat en eerder de geabsorbeerde als de geleverde hoeveelheid van het sporenelement doorslaggevend is, zouden plantaardige levensmiddelen in voedingswaardetabellen beter naar hun fytine- dan hun zinkgehalte beoordeeld moeten worden. Natuurlijk hangt de beschikbaarheid grotendeels af van de manier waarop levensmiddelen worden verwerkt en bereid.9,18 Als de DGE echter beweert dat "levensmiddelen met een hoog zinkgehalte (bijv. volkorenoren producten) door technische maatregelen bij de bereiding van levensmiddelen en voedingsmiddelen tot aanzienlijke verliezen kunnen lijden (bijv. meel, afhankelijk van de maalgraad)" 4, dan zetten zij de biologische samenhangen volledig op zijn kop. In het algemeen geldt: men moet altijd rekening houden met een voedingstekort aan zink bij volwaardige voedingsmiddelen – vooral bij rauwkostvoeding.


Diagnose vrijwel onmogelijk

Naast voeding zijn chronische ziekten andere oorzaken van een zinktekort. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om acrodermitis enteropathica (een zeldzame, erfelijke huidziekte met invloed vanuit de darmen) zoals morbus Crohn, die gepaard gaat met diarree . Bovendien lijden alcoholisten en diabetici vaak aan een zinktekort.6 Deze laatste verliezen steeds meer van het sporenelement via de nieren, hoewel het dringend nodig is voor de insulineproductie. Bovendien verlagen veel geneesmiddelen de zinkplasmaspiegels, met name oestrogenen, cortison en diverse antibiotica.11 Dit fenomeen zou er niet toe moeten verleiden, automatische een zinktekort te diagnostiseren of supplementen voor te schrijven. Het is namelijk aannemelijk, dat de zinkspiegel gedeeltelijk fysiologisch verlaagd is en dat het een of andere geneesmiddel alleen op deze manier bijdraagt aan het therapeutische effect. Het principe van deze zogenaamde Nutritional Immunity is gebaseerd op het feit dat een relatief tekort - in dit geval van het sporenelement zink - een beschermende werking heeft op het organisme.

Bij mensen hadden hypo-zink anaemien tijdens de zwangerschap, na hartaanvallen en operaties tot dusverre geen medische consequenties. 6 Ernstig zinktekorten uiten zich daarentegen door groei- en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen, huidziekten, slechte wondgenezing, smaakstoornissen en nachtblindheid. Experimenteel, d.w.z. door gerichte ondervoeding, is het niet zo eenvoudig om een zinktekort te produceren. In de organen van de proefdieren blijft het zinkgehalte constant en alleen in de lever is er een daling. Zelfs de activiteit van zinkafhankelijke enzymen wordt nauwelijks beïnvloed. Dat hangt kennelijk ook samen met het feit dat zink in zijn rol als enzymencomponent kan worden vervangen door andere tweewaardige ionen zoals kobalt.6

Aangezien een zinktekort zich eerstens manifesteert in de vorm van verlaagde serumniveaus, is het relatief eenvoudig meetbaar, alorens de symptomen optreden.6 De interpretatie van de analytische gegevens vereist echter enige ervaring, aangezien deze grotendeels afhangt van de serumeiwitconcentratie en de inname van geneesmiddelen. Tegelijkertijd veroorzaken infecties en stress lage niveaus, terwijl honger en vasten hogere niveaus veroorzaken.1,6 Het bepalen van de status van andere lichaamsvloeistoffen of weefsels is problematischer. Terwijl weefselbiopsieën duur zijn en desondanks geen duidelijke resultaten opleveren, leveren haaranalyses vaak het tegenstrijdige resultaten op, omdat de gehaltes grotendeels afhangen van de groeisnelheid van het haar. In het algemeen blijven alle pogingen om de zinkstatus correct te bepalen onbevredigend.1 De diagnose van een zinktekort kan alleen worden bevestigd door snelle symptoomverbetering na zinksuppletie.


Van een tekort naar een overdosis

Terwijl de discussie maar al te vaak draait om het winstgevende zinktekort, worden zinkvergiftigingen die de reputatie kunnen schaden zelden gerapporteerd. Zink is echter slechts in uitzonderlijke gevallen echt acuut giftig, bijvoorbeeld als het onbedoeld of onbewust in een te hoge dosis wordt toegediend. Typische symptomen zijn misselijkheid, braken, diarree en koorts.7 Hoewel deze meestal pas na de inname van enkele grammen optreden, reageren gevoelige personen al bij 250 milligram met braken.5 Acuut giftige zinkgehaltes kunnen zitten in water en andere drankjes, wanneer ze in gegalvaniseerde vaten bewaard worden.

Gezondheidsproblemen veroorzaakt door geïnhaleerde zinkchloride-rook komen vaak voor in de arbeidsgeneeskunde. Zinkchloride kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken en, in hogere doses, de zogenaamde metaalrookkoorts, evenals longoedeem en fibrose. Het irriteert en tast ook de huid aan respectievelijk bij orale inname, de mond, de slokdarm en maag. Er zijn nog geen voorschriften voor een maximale concentratie op de werkplek beschikbaar, omdat het gegevensmateriaal bijna uitsluitend afkomstig is van dierproeven.7

In tegenstelling tot acute toxiciteit worden langetermijneffecten van overmatige zinkinname vaker waargenomen. Het lichaam reageert aanvankelijk met een verminderde absorptie en verhoogde uitscheiding. Toch storen verhoogde zinkgehaltes in het voedsel het koper- en in mindere mate ook het ijzermetabolisme. Hoe meer zink wordt aangevoerd, hoe meer koper er wordt uitgescheiden - een effect dat al binnen de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden kan worden waargenomen.5 Dit feit wordt gebruikt bij de behandeling van het Wilson-syndroom, d.w.z. bij een pathologische accumulatie van koper.18 Bij gezonde mensen werd een ernstig kopertekort vastgesteld na regelmatige consumptie van een zinksupplement van 150 milligram per dag. Typische kenmerken zijn lichte vermoeidheid en een verandering in het bloedbeeld met uitgesproken bloedarmoede, leukopenie en neutropenie. Gelukkig zijn de gevolgen bij een juiste diagnostisering volledig omkeerbaar.3,12,13

Doseringen van 300 milligram per dag beschadigen belangrijke markers van het immuunsysteem.5 Deze experimentele bevindingen bij mensen stemmen goed overeen met de symptomen van patiënten met genetische hyperzinkäemie. Het kardinaal symptoom is een sterke gevoeligheid voor influenza.14 Aangenomen mag worden dat deze groep mensen vooral risico loopt door aanbevelingen om influenza met zinkpastilles te behandelen. Bovendien kan extra zinkinname leiden tot veranderingen in de bloedlipiden. Zelfs een matige dosis van 30 milligram per dag verhoogt het HDL-cholesterol en verlaagt de LDL-waarden. Het tegenovergestelde gebeurt bij verhoogde doses van 100 milligram per dag: De LDL-cholesterolniveaus stijgen aanzienlijk, terwijl de HDL-waarden dalen.5 Het belang van deze bevindingen voor de diagnose en therapie van coronaire hartziekten blijft onduidelijk.

Conclusie: Hoewel niemand zich zorgen hoeft te maken over zijn zinkinname wanneer hij zich tenminste niet eenzijdig, volwaardig en bij voorkeur met rauwekost voedt, zijn zinksupplementen alleen aanvaardbaar op basis van medische indicatie. Daarom moet men ook zonder voorbehoud instemmen met de DGE, als deze waarschuwt voor een zinktoevoer van meer dan 30 milligramm per dag.4


Behoefte: gemeten, gegokt en geraden 

In hun actuele voedingswaardeadviezen schrijft de Deutsche Gesellschaft für Ernährung een genderspecifieke zinkbehoefte van zeven respectievelijk tien milligram per dag voor.4 Hoe de DGE deze getallen heeft samengesteld, legt zij als volgt uit: "Het obligatoire verlies van zink door secretie en de huid werd bij de man met 2,2 en bij de vrouw met 1,6 milligram per dag vastgesteld. Bij een gemiddelde zinkabsorptie van 30 procent is een gemiddelde dagelijkse inname van ongeveer 7,5 milligram voor mannen en 5,5 milligram voor vrouwen nodig om deze verliezen te compenseren.“ Absorptie en uitscheiding zijn echter afhankelijk van de zinkstatus van het menselijk lichaam en de actuele toevoer. Dat wi zeggen, dat deze berekeningen gebaseerd zijn op een momentopname die geenszins de "behoefte" weerspiegelt, maar eerder de "fysiologische gewoonten" van een goed verzorgd lichaam. Aangezien de cijfers natuurlijk onderhevig zijn aan een zekere fluctuatiemarge, heeft de DGE haar data simpelweg met 30 procent verhoogd, hetgeen, "naar boven afgerond", een aanbeveling van tien milligram per dag voor de man en zeven voor de vrouw oplevert.


Zinkstortplaats in de mond

Hoewel het algemeen bekend is dat zink als groeifactor voor schimmels dient, is nauwelijks onderzocht of oververzorging een verhoogde vatbaarheid voor schimmelinfecties betekent. Oostenrijkse kaak- en aangezichtschirurgen gaven de aanzet om in de toekomst intensiever aandacht te gaan besteden aan deze samenhang. Zij onderzochten een reeks patiënten, die aan een eenzijdige besmetting van de kaakholtes met Aspergillus leden. Hoewel aspergillose normaal gesproken alleen voorkomt in een verstoorde immuun- of metabolische toestand, genoten de meeste patiënten verder een goede gezondheidstoestand. Tijdens de anamnese ontdekten de artsen bij bijna alle patiënten wortelkanaalbehandelingen of tandgaatjes in de bovenkaak van de aangetaste zijde. In enkele gevallen waren ze in staat om het oorspronkelijk gebruikte wortelvulmateriaal te bemachtigen en te bewijzen dat resten ervan zich binnenin de schimmellaag bevonden en de schimmel als medium dienden. Het wortelvullende materiaal bevatte zink, wat zeer gunstig was voor de schimmelgroei.2

2) Belongia EA et al: A randomized trial of zinc nasal spray for the treatment of upper respiratory illness in adults. American Journal of Medicine 2001/111/blz.103-108

 

Literatuur:

1) Aggett PJ: Zink. Annales Nestlé 1994/52/blz.103-117 

2) Beck-Mannagetta J et al: Zahnärztliche Aspekte der solitären Kieferhöhlen-Aspergillose. Zeitschrift für Stomatologie 1986/83/blz.283-315 

3) Broun ER et al: Excessive zinc ingestion. JAMA 1990/264/blz.1441-1443 

4) DGE, ÖGE, SGE, SVE (Hrsg): Referenzwerte für die Nährstoffzufuhr. Umschau Braus, Frankfurt/Main 2000 

5) Fosmire GJ: Zinc toxicity. American Journal of Clinical Nutrition 1990/51/blz.225-227 

6) Greiling H, Gressner AM: Lehrbuch der Klinischen Chemie und Pathobiochemie. Schattauer, Stuttgart 1989 

7) Greim H (Ed): Zinc chloride and zinc chloride fume. Occupational toxicants 2002/18/blz.291-304 

8) King JC et al: Zinc homeostasis in humans. Journal of Nutrition 2000/130/blz.1360S-1366S 

9) Lönnerdal B: Dietary factors influencing zinc absorption. Journal of Nutrition 2000/130/blz.1378S-1383S 

10) Oberleas D: Mechanism of zinc homoestasis. Journal of Inorganic Biochemistry 1996/62/blz.231-241 

11) Pelton R et al: Drug-Induced Nutrient Depletion Handbook. Lexi-Comp, Hudson 2001 

12) Prasad AS et al: Hypocupremia induced by zinc therapy in adults. JAMA 1978/240/blz.2166-2168 

13) Salzman MB et al: Excessive oral zinc supplementation. Journal of Pediatric Hematology/Oncology 2002/24/blz.582- 584 

14) Sampson B et al: Hyperzincaemia and hypercalprotectinaemia: a new disorder of zinc metabolism. Lancet 2002/360/blz.1742-1745 

15) Smolders E, Degryse F: Fate and effect of zinc from tire debris in soil. Environmental Science & Technology 2002/36/blz.3706-3710 

16) Weiß J: Die Rationen gezielter planen. DLG-Mitteilungen 2003/H.1/blz.18-19 

17) WHO/IPCS: Environmental health criteria 2001, Vol. 221 

18) WHO: Trace elements in human nutrition and health. Genf 1996/blz.72-104